|
PANNEKOEKEN; is een Gebak, ’t welk uit weiten- of boekweiten-meel,
enz. met bijvoeging van de een of de andere ingredienten word
vervaardigt en doorgaans in een ijzeren pan word gebakken. Wij laaten
hier de onderscheidene manieren volgen, om dezelve te bereiden; zie ook
op GULIKSCHE PANNEKOEKJES, KERVEL, KRUISBESIEN, enz.
Boekweiten Pannekoeken.
Neemt een pond boekweiten-meel, een eij, een lepel vol gest en wat
zout, beslaat het tot een ordentelijke dikte met lauw water en melk;
gereezen zijnde, bakt dezelve in de koeke-pan, in boter, reuzel,
braadvet, of olie daar Oliekoeken in zijn gebakken; ook kan men half
weiten-meel neemen, als dan moeten er twee eijeren in, en wat meerder
melk, dan of het alleen boekweiten-meel was: Men kan er ook
dobbelsteenen van goede zuure appelen die wel breeken in doen, en dan
voegen zommigen er wel een lepel vol drie vier sijroop bij. De gest er
uitlaatende, kan men, zo dra het beslag gereed is, pannekoeken bakken,
dog dan moet het veel dunner geroert worden, en ook meerder melk in
gedaan, als wanneer men ze laat rijzen.
Weiten Pannekoeken.
Neemt twee pond weiten-meel, roert er in agt eijeren, een weinig
zout, twee lepels vol goede gest, en maakt het verders met lauwe zoete
melk tot een ordentelijk dik beslag, laat het rijzen, en bakt het met
boter in de koek-pan; met de gest er uit te laaten en dunner te beslaan,
kan men er dunne ongereezene koeken van bakken, en er korenten, enz. in
doen.
Appel-Pannekoeken.
Neemt hier toe zuure appelen die wel willen breeken, na dezelve
geschilt te hebben, zo snijd ze aan plakken van een halve vinger dik,
doet er met een puntig mesje de klokhuizen uit; laat dan boter in de
koek-pan bruin worden en braad hier de appelen in; dezelve week zijnde,
zo doet er beslag over als tot dunne weiten pannekoeken, tilt met een
mes de stukken appel op, op dat het beslag er onderloope; aan de eene
kant gaar zijnde, zo keert ze om, en zet ze warm voor, met wat
strooi-zuiker er over; is zeer smaakelijk.
Rijst-Pannekoeken.
Neemt een half pond rijst, kookt het in water tot een brij, doet
het dan in een aarden pot en dekt het geheel digt toe; neemt dan een
half mingelen room of zoete melk, doet die kookend heet in de rijst met
tien wel geklopte eijeren, een half vierendeel-pond gesmolten boter en
een weinig zout, roert het wel door elkanderen, en doet er zo veel
weiten meel bij als u tot een beslag dunkt nodig te weezen, om ze van de
pan te doen gaan, en bakt ze dan in de pan in boter; gaar zijnde, zo
strooit er zuiker over en zet ze warm voor; ’s avonds van te vooren
beslagen, zijn ze best.
Franeker Pannekoeken.
Maakt een beslag van een-vierde pond weiten-meel, drie, vier of
meer geklopte eijeren naar goedvinden, eenige lepels vol gesmolten boter
en melk zo veel genoeg is, bakt er dan in een koeke pan dunne koekjes
van, en strooit er fijne zuiker over.
Klooster-Pannekoeken.
Neemt zeven eijeren, klopt die ter deegen, roert er in zes lood
strooi-zuiker, vier lepels weiten meel, twee lepels brandewijn, vier
lepels vol gesmolten boter, dit zeer dun met zoete melk beslagen en in
de koeke-pan gebakken.
Pannekoeken zonder Boter.
Klopt een mengelen room van zoete melk en zes versche eijeren ter
deegen onder een, mengt daar onder agt lood witte strooi-zuiker, een
fijn geraspte nootemuscaat, en zo veel weiten-meel als noodig is om het
de dikte van gewoonlijk beslag te geeven; veegt de koek pan met een doek
schoon uit, en wanneer die redelijk heet is, zo doet er het beslag zo
dun of dik in als gij ’t goedvind, en bakt er pannekoeken van
PAP; of Brij; dus noemt men
in de Huishouding of Kookerij, een spijze die van melk of karnemelk, met
bijvoeging van gort, gepeerlde gerst, tweebak, rijst, enz. word
vervaardigt.
Ook maakt men veelerlei Confituur-pappen, die zeer lekker en gezond
zijn. Van de eene zo wel als de andere, laaten wij hier de beste
voorschriften volgen.
Pap van Melk en Rijst, doorgaans Rijsten-brij genoemt.
Neemt hier toe versche melk, laat die in een steenen pan of ijzeren
pot aan de kook koomen; doet er dan rijst in die ter deegen is
gewasschen, de hoeveelheid geregelt na maate gij melk hebt en dezelve
dik begeert, laat ’t drie uuren zagtjes kooken, ter deegen op roeren
passende op dat dezelve niet aanbrande, discht ze dan voor; zommige
eeten er gestooten caneel en strooi-zuiker over. In plaats van rijst kan
men ook gepeerlde garst neemen, ’t welk mede een smaakelijke brij geeft.
Melk en Tweebak.
Neemt op ieder mengelen melk drie tweebakken, die men zonder te
breeken met de melk in een steenen pan op een comfoit met vuur zet en
laat het dus een goed half uur zagtjes pruttelen of kooken, neemt het
dan van ’t vuur, roert het door een en discht het warm voor, zet er een
schoteltje zuiker en gestooten caneel voor de Liefhebbers bij.
Lammertjes-Pap.
De melk een kwartier-uur onder gestadige roering gekookt hebbende,
zo hebt een beslag gereed van weiten-meel in melk ontbonden, waar bij
zommigen ook wel een eij voegen; roert dit onder de kookende melk tot
dat het een behoorlijke dikte heeft, en discht het warm voor met zuiker
en caneel. In plaats van weiten-meel kan men er alleen eijeren in roeren
tot een bekwaame dikte, ’t welk veel smaakelijker is.
Pap van Karnemelk, doorgaans Suip en gepaarlde Garsten-Brij genoemt.
De karnemelk aan de kook zijnde, zo doet er na welgevallen
gepaarlde garst bij, en laat het twee uuren kooken, ter deegen op roeren
passende op dat het niet aanbrande; een half uur voor dat men aandischt,
kan men er een goede scheut zoete melk bij doen, ’t welk de Brij vetter
maakt; zet het warm voor, en geeft er sijroop of zuiker bij.
Suip en brood.
De karnemelk aan de kook zijnde, zo doet er in gekruimd roggenbrood,
eenige roggen tweebakken, gezuiverde korenten en anijs-zaad; past wel op
roeren, en na een goed uur gekookt te hebben, zo zet het warm voor met
sijroop of zuiker. Deeze Pap of Brij is zeer gezond, inzonderheid voor
Menschen die met winden gekwelt zijn.
Suip en Meelen Brij met Pruimen.
De karnemelk aan de kook zijnde, zo doet er in goede gedroogde
pruimen, deezen een half uur met de karnemelk gekookt hebbende, zo neemt
boekweiten meel tot tamelijk dik beslag met zoete melk geroert; doet dit
in de kookende karnemelk, en roert het zo lang op ’t vuur staan
blijvende, tot dat het een bekwaame dikte heeft en gebonden is; zet het
als dan warm voor met sijroop of zuiker.
Appel-Brij met Karnemelk.
Laat goede zuure appelen tot moes kooken, dan karnemelk over ’t
vuur hebbende, doet er wanneer die kookt de moes in, en laat het dus
zaamen een uur kooken wel op roeren passende, maakt dan een tamelijk dik
beslag van boekweiten-meel, sijroop en melk, roert dit in de kookende
karnemelk, dezelve op het vuur laatende staan, tot dat een bekwaame
dikte heeft, dikker als gewoone Brij; zet het dan warm voor en giet er
warme of koude zoete melk na believen over.
Amandel-Pap te maaken.
Neemt een half pond zoete amandelen met roosewater fijn gestooten,
roert er dan anderhalf mengelen lauw warme zoete melk onder en giet het
door een teems, doet er dan wat zuiker bij, zet het op ’t vuur en roert
het gestadig tot dat het dik word; neemt voorts vier dooijers van
eijeren, en zo veel zuiker na dat gij het begeert zoet te hebben, klopt
het een en ander met roosewater, en roert het in de Pap.
Citroen-pap te maaken.
Neemt agt eijeren met het wit en zes zonder wit, klopt ze klein met
een stukje caneel; snijd dan de schil dunnetjes van twee citroenen en
laat ze trekken in drie glazen rhijnsche wijn, met ruim een half
bierglas vol versch uitgedrukt en doorgezijgt citroen-zap, anderhalf
glas vol schoon water, zuiker na de smaak; klopt dit alles wel met een
roede, zet het dan op ’t vuur en roert het gestadig tot dat het aan de
kook is, en doet het dan al roerende in glaasjes.
Op een andere manier.
Neemt zes citroenen, drukt er het zap uit, wijders zes dooijers van
eijeren, klopt ze klein; een half pond zuiker, een bierglas vol
rhijnsche of andere goede wijn; doet het zaamen door een teems en dan
het citroen-zap; zet het op ’t vuur, roert het gestadig, en als het dik
word, is het goed.
Nog anders.
Neemt tien eijeren, half met en half zonder ’t wit, klopt ze wel en
doet er dan bij een glas water, twee glazen rhijnsche wijn, het zap van
zes of agt citroenen en zo veel zuiker dat het zoet genoeg is; zet het
dan op ’t vuur en roert het gestadig met een chocolade rol tot dat het
schuimt, maar het moet niet kooken; schept het dan met een lepel in
kopjes of glaasjes. Zie ook CITROENEN.
Een Spaansche Wijn-Pap te maaken.
Neemt een halve kan zoete melk, een
klein wittebrood zonder de korst, laat het zaamen kooken en wrijft het
zeer klein; dan van het vuur genoomen, roert er zes geklopte dooijers
van eijeren onder, twee met het wit; doet dan vier lepels vol spaansche
wijn in een schotel, zet het op een comfoir met vuur, en als de wijn
warm is zo roert er de Pap onder met zuiker en caneel; doet er dan een
dekzel met vuur op en laat het zo een half uur staan, dan is het goed.
Studente-Pap.
Neemt een kan zoete melk, laat ze op het vuur aan de kook koomen;
neemt dan een vierendeel-pond rijsten-meel, zes geklopte dooijers van
eijeren, zuiker en roosewater; doet dit al roerende in de melk en kookt
het zaamen tot dat het dik word; gestadig roerende.
Studente-Pap op een andere wijze.
Neemt een mingelen zoete melk, laat die over ‘t vuur aan de kook
koomen; doet er dan twee à drie lepels vol roosewater en zuiker naar
goedvinden in, en zet het van ’t vuur, als het dan bijna tot lauw warm
verkoelt is, zo roert er twaalf geklopte eijerdooijers in dat het dik
word, wel oppassende dat het niet schift.
Papje voor een Zieke.
Neemt drie lepels vol weiten-meel, fruit die in boter al roerende
bruin, maar laat het niet branden; roert er dan zo veel kookend water
onder tot dat het zo dik is als een papje weezen moet, doet er dan een
glasje rhijnsche of andere goede wijn met wat gestooten caneel en schoon
gewassene korenten is, als mede zuiker naar de Zieke zijn smaak, en laat
het zagtjes opkooken, is zeer goed.
Ander Papje voor een Zieke, dat zeer lekker en gezond is.
Neemt een hand vol weiten semelen en zo veel anijs-zaad als men
tusschen drie vingeren vatten kan, laat dit een uur lang met water
kooken; giet het dan door een teems, en kookt van het doorgezijgde nat
met kruim van wittebrood zo veel genoeg is een maatig dikke pap, roert
er dan twee geklopte eijer-dooijers met wat rhijnsche wijn of andere
goede wijn en zuiker door, daar men wat gestooten caneel bijvoegen kan;
is ook zeer goed.
Nog een andere manier om een Papje voor een Zieke te maaken.
Neemt wat haver-meel, braad die in boter bruin, doet er dan wat
magere bouiljon of anders water bij met wat korenten, een weinig caneel
en zuiker naar de smaak van de Zieke, en kookt het zaamen tot een dun
Papje, daar men ook een paar eijer-dooijers onder roeren kan als het wat
verkoelt is.
PASTEIJEN; Door Pasteijen verstaat men een hol
gebak, waar in Vleesch of Visch van allerlei zoort word gedaan met de
Kruiderijen, enz. die er bij passen. De Pasteijen hebben doorgaans een
onder- en boven-korst; uit een deeg vervaardigt, waar van men de
bereiding en zoorten op het artijkel KORST kan nazien. Ook heeft men
Pasteijen die maar alleen een korst van boven hebben, en deezen noemt
men Schotel-pasteijen. Dewijl wij op ieder bijzonder artijkel van
Vleesch, Gevogelte, Visch, enz. de bereiding der Pasteijen leeren, zoude
het een onnutte herhaaling zijn, het zelve hier te beschrijven, wij
wijzen dus de Leezers naar die artijkels.
PATRIJSEN; De Patrijzen zijn grootelijks in achting
wegens hunne smaakelijkheid, en ontbreeken nimmer als het in den tijd is
op kostbaare Maaltijden, waar toe inzonderheid de Jongen worden
uitgekoozen; zij moeten wel gevoed en vet zijn. De Ouden zijn ook wel
eetbaar, doch bezwaarlijker te verteeren, en niet zo smaakelijk: Soep
daar van gekookt, is buitegemeen versterkende en dienstig voor Menschen
die een zwaarmoedig gestel hebben. Zie hier de voornaamste en beste
manieren, om Patrijsen smaakelijk te bereiden.
Gestoofde Patrijsen.
Maakt de Patrijsen schoon, doet ze in een casserol of pan met wat
azijn en water, het zap van een citroen en wat geraspte schil daar
onder, wat peper, foelie en boter in meel omgewentelt, laat het dan
zaamen gaar stooven; aan zullende richten, zo bind de saus met een
eijerdooijer twee of drie en zet het warm voor.
Patrijsen met een Amandel-zaus.
Neemt hier toe jonge Patrijsen, haalt ze uit, wascht en pint ze op
en laat ze in heet water stijf worden; neemt dan tot vier Patrijsen een
vierendeel pond heel fijn gestooten gepelde amandelen, wat gehakte
peterselie, een paar laurier-bladen, een stuk boter in meel gewentelt,
wat bouiljon, of dit niet hebbende water, en laat het zaamen een goed
half uur kooken, wrijft het dan door een doek of teems in een casserol
of aarden pan, legt er de jonge Patrijsen in en doet er wat citroen en
kruiderijen bij naar believen, laat het voorts gaar stooven, en zet het
warm voor.
Op een andere manier met een Oranje-zaus.
Neemt jonge Patrijsen, maakt ze gezuivert zijnde netjes op, legt ze
dan in een casserol met boter en fruit ze tot dat ze koleur krijgen,
doet er dan bij een gestooten tweebak, de schil van een oranje-appel
heel fijn afgewreeven, een glas rhijnsche of andere goede wijn,
kruiderij en zout, jeu of bouiljon, en laat het zaamen gaar stooven: Als
men aanricht, zo kan men er nog wat zap van een bittere oranje met
zuiker bij doen.
Oude Patrijsen in Compot.
Zet de schoongemaakte Patrijsen, die men ook vooraf kan larderen
als men wil, eenige uuren in azijn; neemt dan een casserol of pot daar
een dekzel op past, doet er wat boter en dunne schijfjes kalfsvleesch
in, legt er de Patrijsen op. En doet er een boschje tuinkruid bij, (dat
is voornaamelijk marjoleine, thijm, basilicum en peterselie, dat men er
daarna weder uit neemt) met zout, gestooten peper, nootemuscaat, eenige
kruidnagels, wat gestooten tweebak, citroenschijven, wijn en azijn
zaamen een bierglas vol; legt dan op de Patrijsen schijfjes spek en op
’t spek schijfjes kalfsvleesch als men wil; doet er dan een dekzel op en
maakt het rondsom toe met deeg, zet het op een niet te sterk vuur en
laat het zo gaar stooven; gaar zijnde, neemt er de Patrijsen uit, doet
ze in een ander casserol en giet de jeu door een teems daar op; maar als
er niet genoeg van mogte zijn, dan doet wat bouiljon in de casserol bij
het kalfsvleesch en laat het doorstooven, wrijft het dan door een teems
bij de Patrijsen en laat het even zaamen opkooken; maar men moet letten,
dat de zaus niet al te vet zij; als men aanricht kan men er wat cappers
overstrooijen.
Op dezelfde wijze kan men ook Poularden of Hoenderen en Duiven toemaaken,
als mede Ganzen, Eendvogels, Snippen, enz.
Ragout van gebraaden Patrijsen.
Snijd de Patrijsen in stukjes groot naar believen, doet ze in een
casserol met klein gehakte chalotten, kruiderijen, citroen, boter, een
fijn gestooten tweebak, een glaasje half wijn en half water, laat het
dan doorstooven; aanrichtende, kan men de zaus met eenige eijer-dooijers
in citroen-zap binden.
Een Hachée van gebraaden Patrijzen.
Neemt het vleesch van de borsten, snijd of hakt het klein, doet het
in een casserol met kappers, citroen en uitgedrukt citroen-zap, eenige
chalotten in elk een kruidnagel gestooken, die men er weder uitneemt als
men aanricht; een stukje versche boter in meel gewentelt, wat goede jeu
of bouiljon en wat zout, laat het zaamen doorstooven; neemt dan de
boutjes van de Patrijzen, wentelt ze in gesmolten boter, bestrooit ze
met gestooten tweebak, peper en zout en braad ze wat op de rooster; als
gij dan aanricht, zo legt ze op de rand van het assiet.
Patrijsen en Marinade.
Snijd de schoon gemaakte Patrijsen in stukken, en zet ze een uur of
drie in wijn-azijn; bestrooit ze vervolgens met zout, gestooten peper,
kruidnagels en nootemuscaat; doopt ze dan in een dun beslag met wat
meel, wijn en eijerdooijer gemaakt en fruit ze in uitgebraaden spek of
in boter; dus gaar gebraaden zijnde, doet ze op een assiet en schikt ze
op met wat gebakken peterselie, en drukt er wat citroen-zap over.
Een Pasteij van Patrijsen.
Neemt Patrijsen na maate dat de Pasteij groot zal zijn; dezelve
gezuivert zijnde, lardeert ze met spek, maakt dan een huisje van fijn
deeg, legt daar onder in lapjes kalfsvleesch en rangeert hier op de
Patrijsen, met de borst naar boven gekeert, doet er dan kruiderijen bij
met stukjes boter, wat citroen, zout en een weinig gestooten tweebak;
bedekt dan de Patrijsen met lapjes spek, sluit vervolgens de Pasteij met
de bovenkorst, en bakt ze in de oven gaar. Tot de korst van deeze
Pasteij neemt men het Deeg n. 2. Zie KORST.
Patrijsen-Pasteij op een andere manier.
De Patrijsen gezuivert en gelardeert zijnde als vooren, zet ze een
nagt in azijn; formeert dan het huis van de Pasteij en maakt een hakzel
van half kalfsvleesch en half spek; legt er een gedeelte van in de
Pasteij met wat fijn gehakte citroenschil, een paar laurierbladen,
gehakte chalotten en wat kruiderij; legt er de Patrijsen op met het
overige van het gehakte; doet er nog wat kruiderij en citroen bij, met
wat zout, een weinig gestooten tweebak en één à twee hard gekookte
dooijers van eijeren; dekt ze vervolgens toe met deeg en bakt ze in de
oven gaar; doet er nog wat bouiljon bij, schut ze onder een en richt dan
aan. Tot deeze Pasteij gebruikt men dezelfde Korst als tot de
voorgaande.
Hoe men de Patrijsen braad.
Gezuivert zijnde, lardeert ze met spek, of men bind een schijfje
spek op de borst, en men braad ze ook wel zonder spek; ’t welk
vervolgens aan het spit met een niet al te sterk vuur geschieden moet,
en men moet ze dikwils begieten.
Op een andere manier.
Als ze gezuivert zijn, zo neemt een kalfs-net, snijd het in
stukken, rolt er de Patrijsen in, steekt ze aan het spit en laat ze
braaden, zorg draagende om ze geduurig te begieten; als ze dan gaar
zijn, doet er het net af, en begiet ze nog eens met boter dat ze
schuimen, dan zijn ze goed en blijven blank.
Saus op gebraaden Patrijsen.
Neemt twee à drie klein gehakte chalotten, citroenzap, een stukje
boter, wat gestooten tweebak, en laat het zaamen doorkooken; is
smaakelijk, en ook goed over een Haasen-gebraad.
PEEN; zie WORTELEN.
PEEREN; Van deeze Vrugt heeft men voornaamelijk twee hoofdzoorten, als
de Tafel- en Stoof-peeren; dienende de eersten om onze deserten in het
najaar en de winter, met een welsmaakend Ooft te vervullen; de beste
zoorten hier van vind men beschreeven bij CHOMEL Woordenboek vermeerd.
Druk, op het artijkel PEER-BOOM, pag. 2629 en vervolgens. Ten aanzien
van de stoof-peeren, deezen worden op verscheiderhande wijzen tot
lekkere bijspijzen voor onze tafels bereid, ook geconfijt, enz. Wij
laaten hier de beschrijving van de beste manieren van die verschillende
bereidingen volgen.
Hoe men Peeren stooft.
Op de gemeenste wijze geschied zulks met spek, wordende daar mede
gestooft of gekookt gelijk de appelen met spek, zie op APPELEN, en men
kan ze schillen of niet, en er ook zuiker of sijroop bij doen naar elks
believen; doch de geschilde Peeren leveren altijd een smaakelijker eeten
uit.
Op een andere manier.
De Peeren geschilt zijnde. Doet er wat water en zuiker met wat
citroen-schil en eenige stukjes caneel en een weinig boter bij, welke
laatste men er echter ook uit kan laaten, doet ze aldus zagtjes gaar
stooven; en om ze rood te hebben, kan men er wat rood aalbesiën-zap
bijvoegen, dat ook een uitneemende geur aan het gestoof geeft: Doch als
het winter-stoof-peeren zijn, behoeft men er niets bij te doen om rood
te worden, want deezen worden dan van zelve rood, als men ze wat lang en
zagtjes laat stooven.
Nog anders.
Schilt de Peeren en snijd ze in langagtige stukken, zet ze dan zagtjes
te stooven met wat wijn en water, boter, zuiker, en wat citroen- of
oranje-schil, en doet er wat korenten bij; dit geeft een smaakelijk
gestoof.
Men kan de Peeren ook, ’t zij geschilt of ongeschilte, op de voorige
wijze toebereid en voorzien, in de bakoven of in een taartepan zagtjes
gaar laaten stooven; zijnde de wel gestoofde Peeren een zeer lekker en
ook gezond eeten; smaakende inzonderheid goed bij gebraaden Vleesch of
Visch.
Hoe men Peeren farceert.
Neemt goede groote Peeren, holt ze van boven uit zo veel moogelijk is;
neemt dan eenige zuure appelen, schilt die en hakt ze fijn met wat
citroen- en oranje-schillen; stampt ook wat geschilde amandelen klein en
mengt dan alles onder een met wat zuiker, vult dit dan in de uitgeholde
Peeren en doet ze in een braadpan in de oven om te braaden; gaar zijnde,
wrijft er wat zuiker over en discht het warm voor.
Een Taart van Peeren te maaken.
Neemt goede smaakelijke Stoof- of andere Peeren, braad ze gaar, vooral
zonder aan te branden en dat ze niet naar rook smaaken, het best is
zulks in een steenen pan in de bak-oven te doen; wrijft ze dan door een
teems, en mengt vervolgens bij een pond peere-merg een-vierde pond
gepelde en gestootene amandelen met wat roosewater en een kommetje
zoete-melk, vier á vijf eijeren, zuiker en gestooten caneel met wat
boter; doet het dan in een taarte-deeg om een taart te formeren en laat
ze in een taartepan gaar met weinig vuur onder en wat meerder van
bovenen bakken; is een lekkere taart.
Om Peeren te confijten.
Neemt kleine smaakelijke Peeren; dienende hier toe best de Rousselet-,
Muscadelle- en gezegende Peeren, of andere die niet steenig van binnen
en droog van aart zijn; schilt dezelve, maar laat er de steel aan
blijven, of men kan die op de helft afsnijden en werpt ze voorts in
schoon water om blank te blijven; men boort er ook wel de klokhuizen van
boven uit, of als de Peeren groot zijn, snijd men ze in vier of meer
stukken, de klokhuizen er uitsnijdende; kookt ze in schoon water tot dat
ze even beginnen week te worden, schept ze dan op een doorslag, en als
het water schoon afgelekt is, zo legt ze in een aarden vlakke bak en
strooit er zo veel goede witte broodzuiker over, dat ze overdekt zijn,
en laat ze zo tot de volgende dag staan; giet dan de gesmolte zuiker
sijroop daar van af en kookt die tot dat ze dik word en spint, en als ze
wat verkoelt is, zo giet die over de Peeren, na dezelve in een
confituur-pot gedaan te hebben; maar zo dra de sijroop daar na weder
dunner word, gelijk doorgaans gebeurt, zo moet men dezelve afgieten en
wederom dik kooken, het welke men zo dikwils herhaalen moet tot dat de
sijroop dik blijft; en men bewaart dan het Confijt wel geslooten op een
drooge plaats.
Als men wil, kan men ook eenige kruidnagels en wat caneel op het laatst
mede in de sijroop kooken, dat het Confijt een verhevener smaak bijzet.
Wil men de Peeren in honing confijten, dan heeft men niet anders te
doen, dan de honing eerst met wat water tot een behoorlijke dikte te
kooken en wel af te schuimen, vervolgens de bijna week gekookte Peeren
daar in te doen en wat laaten kooken; het overige geschied even eens als
met de zuiker-sijroop.
Drooge geconfijte Peeren te maaken.
Om droog Confijt van Peeren te maaken, heeft men niets anders te doen,
dan de geschilde en op de voorgemelde wijze toebereide Peeren met zuiker
en wat water eens wel op te kooken, tot vier pond Peeren ongeveer één
pond zuiker; men laat ze daar na op een doorslag of teems verlekken, en
legt ze vervolgens op leijen of schoteltjes en laat ze op een warme
stoof of in een bak-oven na dat het brood er uit is, droogen, dezelve
van tijd tot tijd omkeerende en met zuiker overstrooijende; maar men
moet hier toe van de beste witte strooi- of gepoederde broodzuiker
gebruiken, anders wil het niet wel droogen, of word droog zijnde zeer
ras weder vogtig; weshalven men ze ook op een drooge plaats moet
bewaaren.
PERSICO, zie PERSIKEN.
PERSIKEN; De rijpe Persiken worden niet alleen rauw gegeeten, als een
der lekkerste en aangenaamste vrugten, maar worden ook geconfijt en in
brandewijn bewaart. De rauwe welrijpe Persiken hebben een verkwikkende,
bevogtigende, hartversterkende en wat laxeerende eigenschap; maar dewijl
ze zeer verkoelen en ook ligtelijk in de maag rotten, zo verwekken ze
wel koortzen of andere gevaarlijke ziektens; weshalve men ze maatig en
niet te veel teffens van dient te eeten, inzonderheid in heete tijden of
verhit zijnde; wanneer ze echter met een glas goede wijn genuttigt
worden, of dat men er een glas wijn op drinkt, zullen ze minder nadeelig
zijn.
Wij laaten hier voor de Liefhebbers van Confituuren, de beste manieren
volgen, hoedanig deeze lekkere Vrugten te confijten, en uit derzelver
pitten en bladen, het zo veel geachte liqueur doorgaans Persico genoemt,
te bereiden.
Om Perziken te confijten.
Neemt een pond witte zuiker, laat die met een weinig water kooken tot
dat hij begint te binden, dezelve wel afschuimende; doet er dan een pond
geschilde Persiken in die niet heel rijp zijn, laat ze in de zuiker
kooken tot dat de sijroop zich bind; doet ze dan in een pot en giet er
de sijroop op: Men kan de sijroop ook nog wel een weinig apart laaten
kooken.
Op een andere manier.
Neem gave Persiken die wel rijp zijn, snijd ze midden door, schilt ze
schoon af en doet er de steenen uit; neemt dan tot twee pond Persiken,
een en een half tot twee pond beste geraspte broodzuiker; doet de
Persiken in een aarden pan en strooit er de zuiker tusschen en over
heen, dat ze daar onder bedekt zijn, en laat ze zo een nagt over staan;
giet er dan de gesmolten zuiker van af en laat die eens braaf opkooken,
dezelve wel afschuimende en daar na bijna koud worden; doet er dan de
Persiken in en laat ze zagtjes kooken tot dat ze klaar worden, dan één
voor één er uitgeschept en in een confituur-pot gedaan; voorts de pitten
in de sijroop eens opgekookt en dan tusschen de Persiken gelegt, en als
de sijroop koud is, giet men ze boven op de Persiken en bewaart ze wel
toegebonden; is een goed Confijt.
Nog andere manier van confijten.
Kookt de Persiken die niet volkoomen moeten rijp zijn in water, tot dat
er het buitenste velletje af gaat, legt ze dan in koud water, doet er
vervolgens alle de steenen uit; maakt dan een geclarificeerde sijroop,
legt de Persiken er in en strooit er onder het kooken nog zuiker bij;
tot één pond Persiken, neemt men drie-vierde pond van de beste
broodzuiker, en laat het kooken tot dat de zuiker zich bind; maar let op
dat de Persiken nog wat hard moeten blijven en niet al te murf zijn.
Persik-vleesch te maaken.
Neemt één pond Persiken, als ze even beginnen rijp en zoet te worden;
schilt ze en doet er de steenen uit; neemt dan één pond muscadelle
Druiven die niet heel rijp zijn, doet er de vellen af en de korrels uit;
clarificeert dan zo veel gewigt zuiker als er zwaarte vrugt is, doet er
de vrugt in en laat het kooken tot dat het zich bind, doet het dan in
een pot of potje; is zeer lekker en aangenaam van smaak.
Om drooge geconfijte Persiken te maaken.
Maakt een sijroop van één pond beste broodzuiker en één pond water;
schuimt ze schoon af en legt er de Persiken, na dat ze geschilt en de
steenen er uitgenoomen zijn in en neemt ze er terstond weder uit, dan
wederom daar in gelegt en terstond weder uitgenoomen, tot vier of vijf
reizen toe; legt ze vervolgens op een bordje daar wat schoon versch
stroo op gespreid is, en laat ze in een niet al te heete oven droogen.
Op een andere manier.
Maakt een sijroop als boven, en als dezelve schoon afgeschuimt en tot
lauw warm verkoelt is, legt er de Persiken in, na dat ze geschilt en de
steenen er uitgenoomen zijn en laat ze een goede wal opkooken; neemt ze
dan uit de sijroop en legt ze op een plank die met wat zuiker bestrooit
is, en laat ze tot ’s anderen daags in de zon droogen; dan zet de
sijroop weder op het vuur, doet er de Persiken in, laat ze eens opkooken
en daar na weder wat droogen als vooren; dit herhaalt men van drie tot
vier dagen agter elkander en laat ze vervolgens wel droogen, en bewaart
ze in een doos tusschen papieren op een drooge plaats.
Om Persiken in Brandewijn te confijten, op de Fransche manier.
Men moet hier toe voor eerst de allerbeste en schoonste Persiken
verkiezen die men vinden kan, en die volkoomen maar niet overrijp zijn;
ook moet men die op een drooge en warme dag plukken, op dat ze wel droog
zijn; men wrijft haare wolligheid zuiver af en spoud ze vervolgens in de
naad tot de steen toe op, op dat de sijroop en geesten er beter kunnen
indringen en dezelve door en door confijten, om lange te kunnen duuren.
Deeze bereiding gedaan zijnde, zo neemt zo veel witte zuiker en water na
proportie dat gij vrugten wilt confijten; bij voorbeeld, agt ponden
zuiker en vijf mingelen water om er een sijroop van te maaken; als dan
de zuiker gesmolten en de sijroop aan het kooken toe is, zo clarificeert
dezelve met het wit van anderhalf eijeren dat wel geklopt is; en als de
sijroop tot op de helft verkookt is, zo legt de toebereide Persiken na
vervolg in de kookende sijroop en laat ze blancheeren, (dat is maar een
weinig kooken,) waar bij men wel opletten moet, om ze niet te lang in de
zuiker te laaten kooken, maar dezelve na verloop op het nette stip van
haare blancheersel er met een schuim-lepel uit te neemen, na maate dat
ze geblancheert zijn; want die welke te lang kooken, zijn tot dit
confijten bedorven, en kunnen op zijn best niet anders dienen dan tot
Compot; zijnde het beter dat ze wat te weinig als te veel geblancheert
zijn; weshalven men ook altijd wat meer Persiken neemen moet als men
confijten wil, om de plaats van die welke in het blancheeren bederven of
te week gekookt zijn, dat ligt gebeuren kan, te vervullen.
Men legt de Persiken bij het uitneemen uit de sijroop, op een tafel die
met schoon linnen overspreid is om ze te laaten verlekken, in acht
neemende, om ze op de insneede te leggen, op dat het water dat de vrugt
bij het blancheeren ingetrokken heeft, wech kan loopen en er niets te
rug blijft als het geurig vleesch.
Terwijl de Vrugten leggen te verlekken en te verkoelen, kookt men de
sijroop tot zijn volkoomenheid, te weeten tot dat hij begint te
crijstalliseeren, en men clarificeert hem in ’t laatste van het kooken
nog eens met het welgeklopte wit van anderhalf eijeren: Als dan de
sijroop gereed is, doet men hem door een teems en laat hen vervolgens
verkoelen; wel verkoelt zijnde, mengt men er zo veel beste Fransche
brandewijn of geest van wijn onder als er sijroop is, (bedraagende
ongeveer drie mingelen). Men rangeert als dan de Persiken in een
confituur-vleesch en giet er de sijroop met de vermengde brandewijn
over: Deeze Vrugten schoon groot zijnde, zullen in ’t begin in het vogt
drijven, zonder op de grond te zinken, tot dat ze van de sijroop en
geesten wel doordrongen zijn, want dan gaan ze naar de grond en zijn
bekwaam om te eeten. Dit is de beste manier om Persiken met brandewijn
te confijten en lange te bewaaren. Op dergelijke wijze kan men ook
Abricoosen, beste Pruimen, Peeren, Druiven en andere Vrugten in een
geestrijke Sijroop confijten; dienende tot het confijten van Pruimen,
best de Mirabelle en Reine Claude; tot Peeren de kleine Muscadel en
Rousselet, en tot Druiven de Muscadel- en andere vleeschige Druiven,
enz.
Om een aangenaame Ratafia van Persiken te maaken.
Neemt van de beste bekwaam rijpe Persiken, die een goede geur hebben en
volzappig zijn; moetende ook op een warme drooge dag geplukt zijn, om
dat ze als dan de beste geur en smaak hebben; kneust ze dan terstond
klein en perst er door een linnen doek al het zap sterk uit; laat dan in
dit zap een gedeelte beste zuiker smelten, zonder er water bij te doen,
zo veel zuiker neemende als na maate men het begeert zoet te hebben; de
zuiker gesmolten zijnde, doet er zo veel beste Fransche brandewijn of
wijn-geest bij, na dat gij de Ratafia meer of min sterk of geestrijk
wilt hebben; maar men moet er geen specerijen bijvoegen, gelijk men
anders wel bij dergelijke Liqueurs doet, om de Persik-smaak die de geur
van alle Specerijen overtreft, niet wech te neemen.
Laat vervolgens het mengzel door een lek-zak loopen, om het klaar te
hebben, zo is de ratafia gereed; die men vervolgens in bouteljes doet,
die men wel digt moet stoppen en zelfs verpikken, op dat de ratafia door
uitwaasseming zijn geur niet verlieze; men laat het vervolgens ten
minste zes weeken op een koele plaats rusten, want hoe ouder deeze
ratafia word, hoe beter hij is.
Als men de ratafia rood of bleek-rood wil hebben, zo moet men de
gekneusde Persiken in haar zap wat laaten gisten, meer of min na dat men
de koleur hoog wil hebben, zijnde zeven á agt uuren genoeg, als het
ratafia maar maatig gekoleurt zal zijn; anders moeten ze langer staan om
aan de roode koleur van de buitenste schil en die van het vleesch om de
steen, tijd te laaten zich te ontlossen; ook kan men de ratafia een
schoone roode koleur geeven, door middel van er wat gestootene
conchenilje in een fijn linnen lapje gebonden zijnde, in te hangen tot
dat het koleur genoeg heeft.
Om Conserf van Persik-bloeisels te maaken.
Neemt in het voorjaar als de Persik-boomen bloeijen, versche
Persik-bloeisels, plukt er de bloemblaadjes van af en zuivert ze van
haare benedenste einden en andere onreinigheid; stampt ze vervolgens in
een steenen of houten mortier met een houten stamper, en strooit er
onder het stampen allengskens bij beurten beste witte zuiker in, tot dat
alles wel gemengt is, en bewaart de conserf in potjes of doosjes; tot
een half pond gezuiverde bloemen, heeft men ongeveer ruim een pond
zuiker noodig.
Sijroop van Persik-bloeisel te bereiden.
Neemt een pond versche en als boven gezuiverde Persik-bloemen, een half
pond zuiker, doet ze in een steenen verglaasde pot en giet er ruim een
pond kookend water op; laat het dan, de pot wel digt gemaakt zijnde, een
nagt over op een warme plaats of op heete asch staan; daar na zet het op
’t vuur en laat het zo heet worden dat het bijna kookt, zijgt het dan
door en perst het sterk uit; vervolgens neemt wederom een half pond
gezuiverde Persik-bloemen, doet ze in het voorige aftrekzel en laat het
opnieuw trekken op de voorige wijze; als dan met uitpersing doorgezijgt
zijnde, doet bij dit doorgezijgde aftrekzel omtrent twee pond beste
witte zuiker, zet het op ’t vuur, kookt en clarificeert het met het wit
van eijeren; giet het daar na door een wollen doek of lekzak en kookt
het vervolgens op een zagt vuur tot de bekwaame dikte van een sijroop,
en bewaart die in flessen.
Om Persico te maaken.
Neemt een half pond pitten uit persik-steenen, stoot ze grofjes klein,
giet er een mingelen brandewijn en twee mingelen goede oude witte wijn
op en laat het een nagt over toegestopt staan; distilleert het dan
zagtjes zo lang als er geest over komt; neemt dan één of twee pond
zuiker (na dat men het zoet begeert), smelt die in twee mingelen goed
water, en mengt het koud met de overgehaalde brandewijn; zijgt het
vervolgens door een lekzak of vloeipapier, zo is de Persico gereed, die
men in flessen wel toegestopt bewaart.
Maar wil men dezelve een schoone roode koleur doen hebben, zo neemt een
half lood conchenilje, bind dezelve klein gestooten zijnde in een fijn
lapje, en hangt ze in de doorgezijgde Persico, tot dat dezelve genoeg
geverft is; is een aangenaam Liquer.
Indien men geen persik-pitten genoeg hadde, kan men er van de pitten uit
Pruim-steenen bij neemen.
Andere manier om op ligte wijze Persico te maaken.
Neemt een goed deel pitten uit Persik-steenen, stoot ze klein, doet ze
in een fles en giet er beste brandewijn op, laat het vervolgens in de
zon of bij een vuur wel gestopt, eenige dagen trekken; smelt dan witte
zuiker in ruim half zo veel water als er brandewijn gebruikt is, en giet
het bij de afgetrokken brandewijn; zijgt het daar na door en bewaart het
in flessen, zo zult gij een goede smaakelijke Persico hebben.
Merkt, dat wanneer men geen pitten genoeg heeft, men een gedeelte
persik-bladen die men wat gekneust heeft, mede op de brandewijn kan
laaten trekken, en zelfs kan men een Persico bereiden, alleen met de
gekneusde bladen op brandewijn te zetten en te laaten trekken, daar
zuiker naar de smaak in genoegzaam water gesmolten bijvoegende; want om
Persico te maaken, koomt het er hooftzaakelijk op aan om de brandewijn
een smaak naar persik-pitten te geeven, het welk de jonge Persik-bladen
op deeze wijze zo wel doen als de gemelde pitten.
Wil men dezelve rood hebben, zulks kan geschieden met conchnilje, op
bovengemelde wijze.
PODDING; dusdanig noemt men een zoort van gebakkene of gekookte spijze,
die uit meel, wittebrood, tweebak, rijst, enz. word vervaardigt. Men
bereid dezelve op veelerlei verschillende wijzen, waar van wij hier de
besten laaten volgen. Men dient hier bij aantemerken, dat men de meeste
deezer volgende Poddingen met minder kosten kan bereiden, wanneer men er
zommige dingen uitlaat, zo als bij voorbeeld de amandelen, sucade, enz.
Om een uitneemend smaakelijke gebakken Podding te maaken.
Neemt voor zes stuivers oudbakken wittebrood, snijd er de korst af, en
laat het kruim in zoete-melk week worden; ter deegen geweekt zijnde, zo
doet er bij een half pond wel gewasschene korenten, een geraspte
nootemuscaat, wat gestooten caneel, een-vierde pond zoete amandelen en
een goed stuk sucade beide aan stukjes gesneeden, twee of drie lepels
vol strooizuiker, zes eijeren die ter deegen geklopt zijn, en een lepel
vol goede gest; beslaat dit met half warme zoete melk en half room tot
een behoorlijke dikte niet al te stijf; doet het dan in een pasteij- of
taarte-pan, die eerst met boter is bestreeken en daar over tweebak
gestrooit, en laat het met vuur weinig van onderen en meer van bovenen
gaar bakken.
Op een andere wijze.
Neemt een pond weiten-meel, een vierde pond wel gewasschene korenten en
een half pond lange rozijnen, beide vooraf een weinig opgekookt; voorts
een-vierde pond klein gesneeden zoete amandelen, vier lepels vol
gesmolten boter, agt fijn geklopte eijeren, drie lepels vol goede gest,
wat gestooten caneel, sucade en oranje-snippels naar goedvinden; beslaat
dit met lauwe zoete melk tot een behoorlijke dikte; doet het in een
vertinde koperen pan, en wel gereezen zijnde, zo bakt het op de voorige
wijze.
Nog anders.
Neemt zestien tweebakken die ter deegen zijn fijn gestooten, doet er bij
zes lepels vol weiten-meel, een pond wel gezuiverde korenten, een fijn
geraspte nootemuscaat, vier gestooten kruidnagels, wat caneel,
een-vierde pond fijn gesneeden amandelen, drie-vierde pond klein gehakt
kalver-nier-vet, zes eijeren en twee lepels vol goede gest; beslaat het
met zoete melk tot een behoorlijke dikte, en bakt het als vooren.
Nog op een andere manier.
Neemt een pond weiten-meel, voor vier stuivers witte-brood waar van de
korsten zijn afgesneeden en ’t welke is tot fijn kruim gewreeven, zes
eijeren waar van twee zonder ’t wit, een pond wel gewasschene korenten,
een half pond rozijnen, zes lepels vol gesmolten boter, een half pond
fijn gehakt kalver-nier-vet, een fijn geraspte nootemuscaat, agt lood
aan snippels gesneedene zoete amandelen, vier lood sucade aan
dobbelsteentjes, wat gestooten caneel, vier lood strooizuiker en twee
lepels vol goede gest; beslaat het met zoete-melk tot een behoorlijke
dikte en laat het rijzen. Deeze Podding kan men na goedvinden of in een
doek kooken, of wel op de voorige wijze bakken.
Een Schotel-Podding te maaken.
Neemt voor drie stuivers oudbakken wittebrood, snijd er de korsten af en
wrijft het geheel fijn, neemt dan vijf welgeklopte eijeren, een fijn
geraspte nootemuscaat, een half pond gewasschene korenten, een-vierde
pond grof gestooten zoete amandelen, wat sucade en oranje-snippels, een
vierendeels pond gesmolten boter of even zo veel gehakt kalver-nier-vet
en twee lepels vol goede gest; beslaat het alles met warme zoete melk
tot een behoorlijke dikte; doet het dan in een koperen vertinde schotel,
die te vooren met boter is bestreeken en met gestooten tweebak
bestrooit, en bakt het met vuur onder en boven gaar; is zeer goed.
Op een andere manier zeer delicaat.
Neemt een mengelen zoete room, de merg uit een rinder-pijp fijn
gewreeven, de kruim van een twee stuivers oudbakken wittebrood, vier
fijn gestooten tweebakken, agt wel geklopte eijeren, een halve fijn
geraspte nootemuscaat, twee lepels vol roosewater, benevens caneel en
fijne zuiker na de smaak; roert het wel door elkander, en bakt het in
een schotel als boven.
Gemeene Friesche Podding, doorgaans Ketel-koek genoemt.
Neemt twee pond boekweiten-meel, twee eijers, wat zout, een half pond
ter deegen gewasschene korenten, twee lepels vol goede gest, beslaat het
tot een ordentelijke dikte met lauw water en melk, en laat het rijzen;
gereezen zijnde, zo doet het in een Podding-trom of sterke doek te
vooren dunnetjes met boter bestreeken en met gestooten tweebak
bestrooit; laat het dan anderhalf uur in de vleesch-ketel bij het Pekel
vleesch kooken. Men eet dezelve met boter of wel met vet van de ketel en
sijroop. In deeze Podding kan men ook een goed bord vol fijn gesneedene
beste zuure appelen doen.
Engelsche gekookte Podding.
Neemt voor vier stuivers oudbakken wittebrood, snijd er de korst af en
weekt die in zoete melk, doet er bij zes fijn gestooten tweebakken,
drie-vierde pond wel gewasschene korenten, een paar lepels vol fijne
zuiker, sucade, oranje-snippels en nootemuscaat naar believen; voorts
een half pond aan stukken gesneedene zoete amandelen, agt eijeren en een
half pond gesmolten boter; roert het alles te zaamen een half uur lang
onder elkanderen, en indien het te dik is, zo doet er nog een weinig
zoete-melk als mede een lepel vol goede gest bij; laat het wat rijzen,
en doet het in een sterke doek of servet die dunnetjes met boter is
bestreeken en met gestooten tweebak bestrooit; laat ’t een goed uur in
schoon water waar in een weinig zout is gedaan kooken, discht het als
dan warm aan, en geeft er een zaus bij van witte fransche wijn, met wat
boter en zuiker op het vuur onder geroert. Merkt op, dat alle de
Poddingen die gekookt worden, niet al te digt in het servet of de doek
moeten gebonden zijn, maar een weinig spatie gelaaten worden om te
kunnen uitdijen.
Op een andere manier.
Neemt een pond zuiver runder-nier-vet, hakt het fijn, er zorgvuldig alle
de vellen uitneemende, doet het in een pot met het fijn gewreeven kruim
van een vier stuivers oudbakken wittebrood, twaalf gestooten tweebakken,
een potagie lepel vol weiten-meel, een-vierde pond klein gesneeden
sucade, even zo veel witte strooizuiker, rosijnen en korenten van elks
een half pond, een weinig zout, een fijn gereeven nootemuscaat en wat
geraspte citroen-schil, twaalf eijeren waar van zes zonder wit; roert
het met zoete-melk ter deegen onder elkanderen tot een bekwaam dik
beslag, en handelt er voorts mede als boven, er insgelijks een wijn-zaus
bijgeevende of over gietende.
Nog op een andere wijze.
Neemt voor vijf stuivers oudbakken wittebrood, maakt het de korsten er
afgesneeden zijnde tot fijn kruim; doet er bij vijf-vierde pond gehakt
kalver-nier-vet, vijftien ter deegen geklopte eijeren, een half pond
gesnippelde sucade, een pond schoon gewasschene korenten, een-vierde
pond witte strooizuiker en een wijnroemer vol roosewater; beslaat dit te
zaamen in warme zoete-melk tot een behoorlijke dikte, en handelt er even
eens mede als boven.
Een Rijst-Podding te maaken.
Neemt een pond rijst, kookt die in zoete melk tot dat ze open barst,
voegt er dan bij zes fijn gestootene tweebakken, vijf hard gekookte en
ter deegen fijn gewreevene eijerdooijers, benevens vijf rauwe wel
geklopte eijeren, wat geraspte geele citroen-schil, rosijnen en korenten
van elks een-vierde pond, een gereeven nootemuscaat en wat zout; roert
het met warme melk tot een bekwaam dik beslag, en handelt er mede als
boven.
Een Roggenbroods-Podding te maaken.
Neemt drie-vierde pond fijn gewreeven kruim van roggenbrood, een half
pond best runder-nier-vet of wel de merg uit een pijp ter deegen fijn
gehakt,drie vierde pond gezuiverde korenten, agt eijeren, een-vierde
pond ongepelde aan stukjes gesneedene amandelen, een weinig geele
citroen-schil, een fijn geraspte nootemuscaat en twee lepels vol
strooizuiker; klopt en roert dit ter deegen met zoete room tot dat het
een behoorlijk dik beslag is, en handelt er dan mede als boven;
aandisschende er insgelijks een wijn-zaus overdoende.
POFFERT; , of Boffert; is een Gebak ’t welk veel overeenkomst met de
gebakken Poddingen heeft, behalve dat men er geen tweebak nog wittebrood
bij doet. Zie hier eenige voorschriften die zeer goed zijn.
Gemeene Poffert te maaken.
Neemt anderhalf pond boekweiten-meel, twee eijeren, een bord vol klein
gesneeden goede zuure appelen, twee lepels vol goede gest en wat zout;
beslaat het met half water en melk die lauw is gemaakt tot een dik
beslag, laat het wel rijzen, doet het dan in een kopere vertinde
Pofferts-pan die rondsom met boter is bestreeken en gestooten tweebak is
bestrooit, en laat het in den oven of met weinig vuur van onderen en een
dekzel met meerder vuur van bovenen, gaar bakken. Men kan er ook
rozijnen en korenten naar believen in doen: Men nuttigt dezelve warm,
met boter.
Weiten-Poffert.
Neemt anderhalf pond weiten-meel, zes eijeren, een half pond ter deegen
gezuiverde korenten, sucade fijn gesneeden en oranje-snippels van elks
vier lood, twee lepels vol roosewater en even zo veel goede gest,
benevens wat zout; beslaat het met lauw-warme zoete-melk, en bakt het
als vooren in den oven of met vuur onder en boven gaar.
Poffert zeer geschikt om op reis mede te neemen.
Neemt een pond weiten-meel, doet er in zes eijers, een half pond
gesmolten boter, een lepel vol roosenwater, een goede lepel vol beste
gest en wat zout; beslaat het met lauwwarme melk tot een tamelijk dik
beslag, en laat het ter deegen rijzen; doet dan het beslag in een
taarte-pan die dunnetjes met boter is bestreeken en met gestooten
tweebak is bestrooit, en laat het gaar bakken; weinig vuur moet er onder
gedaan worden, dog op het dekzel mag wel de ruimte zijn. Men kan in
deeze Poffert ook wel korenten doen, dog dan is dezelve op verre na zo
luchtig niet.
POFFERTJES; of Bollebuisjes. Neemt hier toe het beslag van de
laatstbeschreeven Poffert, laat het wel rijzen en bakt er in een
Bollebuisjes-pan Poffertjes van. Om de smaakelijkheid, doet men er wel
wat gestooten caneel in, en meestentijds de ruimte korenten. Dit is
doorgaans eene versnapering op de Kinder-visites; ook zet men dezelve op
het desert voor en strooit er fijn geraspte broodzuiker over.
POOLSCHE MUTS; of Tulband, is een zoort van Amandel-taart, welke aldus
word bereid: Neemt een pond met roosewater fijn gestampte amandelen,
twintig lood fijn gezifte broodzuiker, zes eijeren klein geklenst, wat
geraspte citroen-schil en een weinig caneel-water; beslaat dit als tot
een Amandeltaart, doet het dan in een koperen vertinde pan die de vorm
van een Poolsche Muts of Tulband heeft, en welke alvoorens met boter is
bestreeken, laat het met weinig vuur van onderen en wat meer van bovenen
gaar bakken.
PORCELEIN; De Groente die deeze naam draagt, is van veel gebruik in de
Keuken; de bladen zo wel als de dikke steelen, worden in veelerlei
soupen gedaan: Ook eet men de bladen rauw als een toekruid bij Krop- en
Concommer-salaat; zijnde de Porcelein hoe ook gegeeten een zeer gezonde
spijs, inzonderheid voor heete natuuren.
Hoe men Porcelein stooft.
De Porcelein verleezen en gewasschen zijnde, kookt men die in ruim water
gaar; doet ze dan op een vergiet-test, laat ze verlekken en hakt ze een
weinig; doet ze vervolgens in een casserol met een goed stuk boter in
weiten-meel omgewentelt, zout, nootemuscaat en wat zoete room of
vleeschnat en laat het bekwaamelijk stooven: Men kan er ook wel wat
zuuring onder doen, deeze moet niet te vooren gekookt, maar bij het
stooven ingedaan worden; wanneer men aanricht, kan men eenige stukjes in
boter gefruit wittebrood in de groente steeken, of wel op de rand van de
schotel leggen.
Hoe men de Porcelein inlegt tot Winter gebruik.
Neemt versch geplukte Porcelein, daar vooral nog geen zaad moet
inzitten, zuivert en wascht ze wel, doet ze dan in kookend water en laat
ze omtrent half gaar kooken; legt ze vervolgens op een vergiet-test, en
laat ze ter deegen uitlekken; neemt voorts een keulsche aarden pot, doet
wat zout en heele peperkorrels op de bodem, en legt dan de porcelein aan
laagen in de pot, met een bladje eenige foelie en wat zout tusschen elke
laag, legt er vervolgens een plankje op en hier op een steen; laat het
dus twee dagen staan, giet er dan het nat af, en legt er in de plaats
van de steen en het plankje een doekje dat in brandewijn is nat gemaakt
over, smelt er vervolgens een bodem boter of vet op en zet het op een
koele plaats, als dan zal de porcelein zeer goed blijven. Wanneer men er
van wil gebruiken, doet men de bodem vet of boter boven af en neemt er
zo veel uit als men denkt noodig te hebben, waar na men er de bodem
weder over smelt. De ingemaakte Porcelein laat men in ruim water verders
gaar kooken, en stooft die op dezelfde wijze als versche.
POTAGIE; zie SOEP.
POTMARG; , is de naam van eene voorspijze die uit gepelde of gepaarlde
garst, gierst of rijst word vervaardigt. Neemt bij voorbeeld een pond
gepaarlde garst, doet die in een pan met een mingelen half water en half
melk en een half pond rozijnen, zet de pan op een goed koolen-vuur met
een dekzel dat wel sluit er op; aan de kook koomende, zo vermindert het
vuur tot dat het maar even pruttelt, laat het dus staan zonder het
omteroeren tot er tijd toe dat al het nat er op verteert is, als wanneer
de Potmarg gaar is; roert het dan wel door een, zet het warm voor, en
geeft er gesmolten boter of wel boter met melk dik geroert, over. Even
eens handelt men met de giers en rijst. In de plaats van rozijnen, kan
men er ook korenten bij doen; en bij de gierst is zeer smaakelijk, goede
gedroogde pruimen te voegen.
Gebakken Potmarg in de Pan.
Laat gepelde garst op de voorige wijze gaar kooken, roert er dan
genoegzaam boter of wel braadvet onder, benevens sijroop na de smaak;
laat het als dan in de koek-pan op koolen vuur braaden, tot dat het een
bleek bruine koleur heeft; schuift het op een steenen schotel, legt er
de koek-pan op, en keert het dus om; aan die kant ook bruin gebakken
zijnde, zo discht het warm voor.
Pekel- of gesprengt rund-vleesch kookende, doet men wel gepelde garst,
rijst of gierst met bijvoeging van rozijnen, korenten of pruimen in een
daar toe gemaakte linnen zak en laat het bij ’t vleesch kooken; goede
zuure appelen aan kleine dobbelsteenen gesneeden er bij gedaan, smaakt
insgelijks goed. Vooral dient men acht te geeven, wanneer men Potmarg in
een zak kookt, om zo veel ruimte te laaten, dat het behoorlijk kan
uitdijen, welk nabij de helft is.
PRUIMEN; Van deeze Vrugt zijn zeer veele Zoorten, die wel rijp zijnde,
meest alle aangenaam van smaak en verkwikkende zijn, dog men houd ze
niet voor zeer gezond, en dienen dus maatig gegeeten te worden; echter
vind dit hoofdzaakelijk plaats ten aanzien van de slegte, gemeene en
waterige zoorten, zo als bij voorbeeld de Ros-pruimen, enkelde Boere
witte, en meer gelijkzoortigen. In Duitschland droogt men zeer veel de
zogenoemde Quetzen, en in Frankrijk worden de blauwe Damast-pruimen, de
Perdigons, St. Catharine en Brignoles daar toe gebezigt, welke alle tot
ons worden overgebragt. Als men de ruimte van eenige dier zoorten van
Pruimen in zijn Bogaard heeft, kan men die zelve ook droogen, waar van
wij de behandeling straks opgeeven. Verscheidene lekkere Gerechten en
Confituuren worden zo wel uit de versche als gedroogde Pruimen
vervaardigt, waar van wij hier de voornaamste bereidingen laaten volgen.
Om de Pruimen in brandewijn te confijten, zulks geschied op dezelfde
wijze als ten aanzien van de Persiken is geleert; alleen dient hier bij
aangemerkt, dat men daar toe drooge zoorten moet neemen, als de Reine
Claude, Abricoos-pruim, Quetzen, Mirabellen, enz.
Hoedanig men versche Pruimen stooft.
Neemt goede vleeschige Pruimen, zo als ze van den boom koomen, haalt er
de steenen uit en doet ze in een pot of pan met wat gepelde amendelen,
gestooten caneel, wat citroenschil en witte zuiker na de smaak, laat het
op een comfoir met vuur zagtjes stooven; is zeer smaakelijk om bij
gebraad te eeten.
Om versche Quetzen te stooven.
Neemt een paar glazen vol Rhijnsche of andere witte wijn, doet er in wat
gestooten caneel en geraspte citroenschil, kookt er met broodzuiker een
dunne sijroop van, schilt dan de Quetzen, kookt die in de sijroop
zagtjes tot dat ze behoorlijk week zijn; men kan ze aldus warm bij
gebraad, en ook koed geworden zijnde op het desert voorzetten.
Pruim-Taart van versche Pruimen.
Neemt beste versche Pruimen, doet er de steenen uit; hebt dan een
taarte-deeg, zie KORST, n. 3. in gereedheid; strooit op de bodem van de
onderkorst, fijn gemaakte broodzuiker en caneel, legt hier op een laag
platgedrukte pruimen, en dan weder zuiker en caneel, benevens wat
geraspte citroenschil, vaart zo voort tot dat de taartepan vol is; legt
er dan de bovenkorst over, knijpt die aan de onderste vast, en bakt het
met vuur boven en een weinig van onderen gaar.
Pruimen in Azijn ingelegt.
Hier toe gebruikt men meest de kleine groene Mirabellen en Isle verd;
men moet dezelve plukken als ze bijna maar niet volkomen rijp en week
zijn; men legt ze in een confituur-fles, en doet er bij laagen tusschen
wat kruidnagels, foelie, heele peperkorrels, zout en lauriers-bladen;
vervolgens giet men er de beste wijn-azijn over tot dat ze daar mede wel
overdekt zijn, en men legt zuivere stukjes leijsteen boven op de
pruimen, op dat ze altijd onder de azijn bedompelt zijn, want dit houd
ze goed voor het bederft; ten laatsten bind men de fles met een blaas
wel toe, en bewaart ze op een drooge luchtige plaats tot het gebruik;
dienende deeze pruimen om bij gebraad, enz. te eeten, in plaats van
agurkjes, cappers, enz.
Hoedanig men de Pruimen confijt.
Neemt anderhalf pond broodzuiker, maakt daar een sijroop van dezelve wel
schuimende, en laat ze zo lang kooken tot dat ze begint te binden; neemt
dan twee pond schoone vleeschige geurige pruimen, wascht en wrijft ze
met een schoone doek zuiver af, prikt ze vervolgens wat met een naald
rondsom, doet ze dan in de sijroop en laat ze daar staan tot dat de
sijroop wederom gesmolten en dun geworden is; kookt ze dan ras af, tot
dat ze genoegzaam week zijn; neemt ze vervolgens één voor één uit de
sijroop, en legt ze nevens elkander op een doorslag tot dat ze koud en
stijf zijn, dan blijven ze heel en de schil ongeschonden; legt ze dan in
een confituur-pot, en laat de sijroop nog eens opkooken; daar na koud
geworden zijnde, doet ze op de pruimen dat dezelve daar mede overdekt
zijn; is zeer goed.
Andere manier van confijten.
Snijd het bovenste en onderste van de pruimen af; neemt dan tegen twee
pond pruimen, anderhalf pond goede broodzuiker, maakt er een sijroop van
en clarificeert dezelve met het wit van een eij, doet er een glas vol
regenwater onder en laat het kooken, legt er de pruimen zagtjes in en
laat ze een half uur kooken, of zo lang dat ze week genoeg zijn; neemt
ze er dan wederom een voor een uit, legt ze op een doorslag, en
vervolgens als ze koud zijn in een confituur-pot; laat de sijroop nog
wat kooken tot dat ze bind, en giet ze over de pruimen.
Nog anders, geschilt zijnde.
Neemt goede vleeschige rijpe pruimen, schilt ze en snijd er de steelen
half af; neemt dan tegen twee pond pruimen, anderhalf pond geraspte
broodzuiker, strooit van de zuiker wat in een aarden verglaasde of
porceleine schotel, legt daar de pruimen op en strooit de overige zuiker
er voorts over heen, en laat ze zo tot ’s anderen daags staan; neemt er
dan de pruimen uit, en maakt in een pan eerst een sijroop van de
gesmolten zuiker en schuimt ze schoon af; als dezelve dan wat verkoelt
is, doet er de pruimen in en laat ze zagtjes kooken in de open lucht en
de pan zomtijds eens op den grond geklopt tot dat ze klaar worden; doet
ze dan in een pot en giet de sijroop als hij verkoelt is er over; is
zeer goed.
Nog op een andere wijze.
Neemt een pond geschilde pruimen, drie-vierde pond geraspte broodzuiker,
de steelen daar aan laatende; legt ze in een groote aarden of grove
porceleine schotel, strooit er de zuiker over en laat ze zo een nagt
staan; als dan laat ze in een tinne of wel vertinde casserol wat kooken;
neemt ze dan een voor een uit en legt ze in een porceleine schotel tot
’s anderen daags, de sijroop daar bij doende; zet ze dan weder in een
tinne schotel op ‘t vuur en laat ze wat kooken; dit zo tot drie reizen
toe herhaalende; doet ze dan in potten, doet er de sijroop verkoelt
zijnde over, en legt er een blad papier over dat in brandewijn nat
gemaakt is, ’t welke tot conservatie van alle Confituuren kan gedaan
worden: De schuim die er in ’t kooken opkoomt, moet er schoon afgenoomen
worden.
Daar zijn meer andere manieren om de Pruimen te confijten, maar de
gemelde zijn van de beste. Als men wil kan men wat caneel en kruidnagels
op ’t laatste van het kooken er bijvoegen, wegens de geur.
De zoorten welke in Frankrijk ’t best tot het confijten geacht worden,
zijn de Perdrigon, Reine claude, Damas rouge, Apricotée groene,
Mirabelle, St. Catharine en Brignote. Hier te lande gebruikt men
hoofdzaakelijk de groote en kleine Mirabellen, de Abricoos-pruim,
Eijer-pruim, Perdrigon en St. Catharine-pruim, hoewel men ook andere
vleeschige zoorten confijten kan, en zo dezelve bij ons niet volkoomen
rijp mogten worden, zo moet men ze wat langer laaten kooken, echter
moeten ze niet geheel onrijp en zuur tot het confijten wezen.
Men kan de Pruimen ook in honing confijten, ’t welke meest geschied op
dezelfde gemelde wijze; alleen maar dat men in plaats van zuiker-sijroop,
goede welgeschuimde honing neemt; doch de confituur word niet zo
aangenaam, als met zuiker.
Om drooge geconfijte Pruimen te bereiden.
Om deeze te maaken, heeft men niet anders te doen, dan de in zuiker
geconfijte Pruimen uit de sijroop te neemen, dezelve op een doorslag of
zeef te laaten uitlekken, vervolgens op plankjes, leijen of vertinde
blikjes die met beste geraspte broodzuiker bestrooit zijn te leggen en
op een warme plaats te droogen, dezelve zomtijds omkeerende en met
zuiker bestrooijende. Dog men dient aan te merken, niet al te dik en van
de beste broodzuiker moet gekookt zijn, om dat ze anders niet willen
droogen en vetagtig blijven; ook als de zuiker niet van de beste is,
daar na ligt vogtig worden en bederven: Men bewaart dezelve in doozen
tusschen schoon papier op een drooge plaats.
Andere goede manier om drooge geconfijte Pruimen te maaken.
Neemt beste rijpe Pruimen, doet ze in water als ’t zelve over ’t vuur
aan de kook is en laat ze eenigzins murf worden; legt ze dan op een
zeef, laat ze drie á vier uuren leggen om uit te lekken en prikt ze daar
na rondsom wat met een naald; neemt vervolgens een schoone aarden pot
die wat smal van boven is, legt ze dan aan laagen en strooit er van de
beste fijn gestooten broodzuiker tusschen beiden; laat ze zo
vier-en-twintig uuren staan, giet er dan de gesmolten sijroop- van af,
maakt ze warm, doet ze er weder op en laat ze op ’t nieuw
vier-en-twintig uuren lang staan; dit moet twee maalen gedaan worden;
legt ze daar na op een zeef, dat de sijroop er uitlekt, en vervolgens op
leijen die alle dagen moeten ververscht worden en zet ze in de kas of
stoof; de twee eerste dagen moet de warmte wel onderhouden worden met
een gestadig en egaal vuur, en men moet ze met de beste zuiker door een
fijne neteldoek of teems bepoederen, en laat ze wel droog worden. Men
kan hier toe bij ons neemen Quetzen, groene Mirabellen, Eijer-pruimen en
andere vleeschige zoorten die wel rijp zijn. Op dezelfde wijze kan men
ook de Abricoosen en Kersen droog confijten.
Om Ratafia van versche Pruimen te maaken.
Neemt van de geurigste zappige Pruimen die wel rijp zijn, droogt ze met
een doekje af, neemt er dan de steenen uit, stampt ze vervolgens klein
en laat ze dus een paar uuren staan; daar na doet ze in een schoone
linnen doek, en drukt er al het zap uit; laat dan in die zap beste witte
zuiker smelten, tot vier mengelen zap anderhalf pond zuiker, en als de
zuiker gesmolten is, doet er anderhalf mengelen goede brandewijn bij met
een wijnroemer vol gedistilleert caneel-water tot de geur, zonder andere
specerijen; laat het vervolgens door een digte lek-zak loopen, en als
het klaar is, doet het in flessen, zet dezelve wel toegestopt in de
kelder en laat ze vijf á zes weeken rusten, dan zal het goed zijn tot ’t
gebruik.
Als men het zoeter en sterker begeert, moet men er meer zuiker en
brandewijn bij doen, naar ieders smaak.
Om Pruimen te droogen.
De bekwaamste zoorten in ons land zijn hier toe, de Abricoos-pruim, St.
Catherine-pruim, groote groene Damas, Oranje-pruim en eenige andere;
moetende inzonderheid daar op gezien worden, dat men de zodanige
verkieze die wel rijp, daar bij lekker en geurig van smaak en niet te
waterig zijn; de Quetzen zijn ook uitneemend om te droogen, doch worden
bij ons zelden daar toe rijp genoeg. Hier nu volgt de behandeling.
Men plukt de Pruimen in droog weder af en draagt zorg dat de dauw of
blom er zo veel doenlijk op blijve, hebt dan horden van rijs gevlogten,
of planken met een randje rondsom, en die met veel kleine gaten
doorboord zijn in gereedheid, legt hier de pruimen naast elkander op, en
zet die horden of planken in een flauwe oven; doch dewijl ze in ééne
reis niet kunnen droog worden, zo moet men ze wanneer de oven koud is
geworden, er uitneemen, en daar na weder in de warme oven zetten, en
ondertusschen omkeeren, tot dat ze op het laatst bekwaam droog zijn.
Om Pruim-soep, in Friesland Pruim en Bolle genoemt, te maaken.
Kook anderhalf pond goede drooge pruimen in ruim water, er wat geraspte
ciroenschil en caneel, benevens behoorlijk zuiker en een goede klomp
boter bijvoegende; laat ze zagtjes kooken tot dat ze wel gaar zijn, zorg
draagende dat er de ruimte nat opblijve; hebt dan in een tinnen of
koperen vertinde schotel heel dun gesneeden oudbakken wittebrood in
gereedheid, giet hier het nat dat op de pruimen is er over, dat het
brood wel doorweeke, legt er dan de pruimen op, dekt de schotel en zet
dezelve op 't vuur en laat het een kwartiers-uur zagtjes pruttelen,
strooit er dan nog wat zuiker over en discht het warm voor. Men kan
deeze Pruim en Bolle voor groote Huishoudingen, Kinders en Domestieken
ook minder kostbaar maaken, neemt dan in de plaats van zuiker en
wittebrood, sijroop en grofweiten-bolle, en laat er de caneel uit.
Om gedroogde Pruimen te stooven.
Neemt een pond of meerder goede gedroogde pruimen, doet er wat water
bij, benevens een glas witte wijn, een stuk caneel dat men er naderhand
weder uitneemt, wat gereeven citroenschil en zuiker na de smaak; laat
het op een fornuis stooven tot dat ze gaar zijn en discht het warm voor;
gemeenlijk eet men het bij gebraad.
Een Taart van gedroogde Pruimen.
Neemt twee pond beste gedroogde pruimen, kookt dezelve week en doet er
de steenen uit; neemt dan een oudbakken stuivers wittebroodje, snijd er
de korst af en laat het in witte wijn weeken; doet bij het geweekte
brood, een paar geklopte eijeren, wat gestooten kruidnagels en caneel,
vier lepels vol gesmolten boter en agt lood fijngemaakte broodzuiker,
roert het wel onder een, legt dan een taartekorst in de pan, zie KORST,
n. 3. en doet er het wittebrood, enz. dat ter deeg met de pruimen moet
zijn vermengt op, slaat als dan de pruimsteenen stukken, neemt er de
pitten uit en legt die hier en daar over het mengzel, dan de bovenkorst
er over gedaan, bakt het op de gewoone wijze gaar; uit de pan neemende,
strooit men er wat fijngemaakte broodzuiker over.
Op een andere manier.
Neemt twee pond gedroogde pruimen, kookt die tot dat er de steenen
kunnen uitgenoomen worden, slaat de steenen aan stukken, neemt er de
pitten uit, en doet die met de pruimen in een aarden pot, voegt er bij
een-vierde fles roode wijn, twee citroenen de schil er aan ’t vleesch
toe afgesneeden en de korrels er uitgenoomen aan kleine stukjes, wat
sucade, oranje-snippels, gestooten caneel en een half pond fijngemaakte
broodzuiker; mengt alles wel door een, en bakt er een taart van op de
bovengemelde wijze.
|